Verliefd op Brahms

‘Zonder vakmanschap is inspiratie niet meer dan een riet dat wuift in de wind’ - Johannes Brahms

Door Wenneke Savenije

Ooit was ik een heel gelovig meisje. Dagelijks ging ik in de katholieke kerk tegenover ons huis bidden voor mijn zieke broertje, die was geboren met een hartafwijking. Maar toen ik acht jaar was ging het mis. Mijn broertje stierf tijdens de operatie die alles op had kunnen lossen. Die God in de hemel leek mij ineens een enorme sadist. Een tante kwam troosten en bracht een LP met muziek van Corelli mee, gespeeld door I Musici. Al bij de eerste hemelse klanken was ik voorgoed verkocht. Ik streepte God door en besloot dat muziek mijn nieuwe God was.

Al gauw ging ik in de discotheek van de plaatselijke bibliotheek op onderzoek uit. Aarzelend liep ik langs de klassieke LP’s, die op alfabetische volgorde in slagorde stonden opgesteld. Albinoni, Bach, Beethoven, Boccherini…. Al die namen zeiden me niets, dus ik concentreerde me op de mooiste platenhoezen. Bij Brahms aangekomen was het raak: ik zag een fascinerend portret van een oude man met een witte baard, een beetje zoals die God die ik net had opgedoekt. Maar deze man had hele lieve vergeet-mij-nietjes-blauwe ogen, waarmee hij je aankeek alsof hij de wijsheid in pacht had. Ik besloot de Brahms-LP te lenen en kwam er pas thuis achter dat het om zijn Eerste Cellosonate ging, een droevig en donker werk dat volmaakt paste bij de stemming waarin ik verkeerde.

Nog altijd krijg ik bijna tranen in mijn ogen als ik dit stuk van Brahms hoor, vooral als Janos Starker en Gyorgy Sebok het spelen. Dat zouden wel eens de musici op de lp geweest kunnen zijn, want zij namen de sonates in de zestiger jaren op. Op Brahms volgde Bach en op Bach volgde Haydn en zo ging het door, kris kras door alle bakken heen, tot ik alle letters van het alfabet had doorgewerkt. En daarna begon ik weer van voren af aan. Ik leerde viool spelen en raakte verslingerd aan Bach. Maar Brahms was mijn eerste liefde en dat werd hij nóg meer toen mijn eerste vriendje me op mijn 16e verjaardag het Vioolconcert van Brahms cadeau gaf, gespeeld door Henryk Szeryng. Wat een schitterende muziek! De Vioolsonates kon ik nog net spelen, maar zijn Vioolconcert was te moeilijk. Toen ik onlangs in het Brahms Museum in Hamburg het originele handschrift ervan zag, kreeg ik spontaan kippenvel.

Eenmaal aangeland in Amsterdam, waar ik Neerlandistiek en na verloop van tijd ook altviool ging studeren, kocht ik bij Concerto de ene 2e hands LP na de volgende, meestal soloconcerten met strijkers of kamermuziek. En weer werd ik hopeloos verliefd op Brahms, vooral op het Dubbelconcert voor viool en cello, de Pianoconcerten en de Strijksextetten. Bestaat er iets mooiers dan het langzame deel uit het Eerste Strijksextet, gespeeld door o.a. Yehudi Menuhin en Maurice Gendron? Honderden keren heb ik dat Andante gedraaid…

En toen ging ik met een paar medestudenten naar een van de eerste edities van het Orlando Festival in Kerkrade. We besloten het Klarinetkwintet van Brahms te gaan studeren en werden ingedeeld bij violist Marc Lubotsky. Eigenlijk was het te hoog gegrepen, maar de muziek slokte ons op en ondanks onze prille techniek raakten we zó in de ban van Brahms, dat we het stuk op de radio mochten spelen. Doodeng, maar de hypnotiserende noten van Brahms bleken veel sterker dan alle zenuwen en sleurden ons er doorheen.

Brahms won het ook van mijn trillende knieën, terwijl ik in de Bachzaal zijn Eerste altvioolsonate moest spelen op een leerlingenavond van het conservatorium. Zelden heb ik me zo trots gevoeld, als toen ik dat zonder bibberstok tot een goed einde had gebracht. Er volgden jaren met veel kamermuziek, waarbij Brahms niet mocht ontbreken. De Pianotrio’s, Pianokwartetten, het Pianokwintet… , op het Hoorntrio na (waar vind je zo gauw een goede hoornist?) werd alles doorgespeeld en mijn liefde voor Brahms bleef maar groeien.

Mijn eerst desillusie als kersverse recensent van NRC Handelsblad, speelde zich eind jaren tachtig af op een editie van het Oskar Back Concours. Nadat een van de finalisten het Vioolconcert van Brahms had gespeeld, hoorde ik een groepje collega-recensenten tot mijn ontzetting beweren dat ze het Vioolconcert van Brahms maar ‘afgezaagd’ vonden. Ik maakte meteen rechtsomkeert in de rode pluchen gang van het Concertgebouw, besloot mezelf trouw te blijven en bleef voortaan op veilige distantie van alles wat hip, modern en trendy in muziekkringen was. Liever voor een klassieke viooltrut doorgaan dan mijn diepe liefde voor Brahms verraden, was mijn conclusie. Als ik kans zag, zorgde ik ervoor dat ik concerten met muziek van Brahms moest recenseren. Zo werd ik heimelijk zijn promotor in slechte tijden, al is zijn muziek zo sterk dat hij dat eigenlijk helemaal niet nodig had. Want Brahms zal altijd weer boven komen drijven, daar ben ik van overtuigd.

Nog altijd maakt het me woest als mensen de schoonheid in zijn even krachtige als originele muziek niet herkennen. Ja het is waar: Brahms kan zwaar op de hand zijn en zijn muziek is soms behoorlijk complex. In handen van uitvoerende musici die weinig affiniteit met hem hebben, of zijn emotioneel geladen muziek veel te cerebraal benaderen, wil hij nog wel eens als een chagrijnige of zelfs langdradige brombeer uit de hoek komen. Dan klinkt het alsof de geest van Brahms het niet kan verdragen dat zijn muziek zoveel onbegrip en onrecht wordt aangedaan. Maar de musici die hem wél begrijpen worden vanuit de hemel beloond met vleugels van goddelijke inspiratie en het oplaaiende vuur van de harstocht. Er zit zoveel intensiteit, inventiviteit, evenwichtigheid, vakmanschap, liefde, noblesse, innigheid, wijsheid, weemoed, warmte en voor de goede verstaander zelfs ook vrolijkheid in zijn doorwrochte composities verstopt, dat Brahms nog altijd een van mijn allergrootste liefdes is.

 

Concerten in de Nieuwe Kerk